Op 29 mei 1941 eindigde het leven van Bernard Arnold (roepnaam: Arnold) Kahn op tragische wijze in het Duitse concentratiekamp Buchenwald, waar hij naartoe was gestuurd nadat hij een anti-Duitse nieuwjaarstoespraak had gehouden.

Zionisme en parfums

Bernard Arnold Kahn
Arnold Kahn, 1928. Collectie Atelier J. Merkelbach. Stadsarchief Amsterdam.

Arnold Kahn was het oudste kind van Sylvain Kahn, één van de oprichters van Hirsch & Cie Amsterdam, en zijn vrouw Julie Kahn-Berg. Van 1904 tot 1919 studeerde hij rechten aan de Universiteit van Amsterdam en in 1919 promoveerde hij op het proefschrift “Conventions” of politieke spelregels: onderzoek naar de mogelijkheid en de gewenschtheid van hun inlijving binnen het rechtsgebied. Hij was actief zionist en was (mede)oprichter van de Nederlandse Zionistische Studenten Organisatie (NZSO) en het Palestina Opbouwfonds (Keren Hajesod). Ook was hij bestuurslid van de Nederlandse Zionistenbond (NZB) en de Vereniging van Vrienden van de Hebreeuwse Universiteit.

Vanaf 1916 was Arnold Kahn directeur van parfumfabriek Caraba, die op 24 juli 1916 in Amsterdam werd opgericht. Deze fabriek was min of meer een voortzetting van de in beslag genomen Franse parfumfabriek d’Orsay van Sally Berg, Arnolds oom en medeoprichter van Hirsch & Cie Amsterdam. Caraba produceerde schoonheidsproducten, variërend van eau de toilette tot brillantine en mondspoeling. De fabriek ontwikkelde zich echter niet zoals gehoopt en werd in 1926 overgenomen door de familie Dobbelman van de Nijmeegse zeepfabriek ‘Het Anker’. In 1929 verplaatste Dobbelman de productie van Amsterdam naar Nijmegen, waar Caraba in 1936 werd geliquideerd en ontbonden.

Een pro-Joodse/anti-Duitse toespraak

Judith Kahn-Kalker
Judith Kahn-Kalker. Collectie Atelier J. Merkelbach. Stadsarchief Amsterdam.

Op 21 maart 1921 trouwde Arnold Kahn met de twee jaar oudere Judica (Judith) Kalker, de oudere zus van zijn zwager Martijn Kalker, die met Arnolds jongste zus Sophie (Soppa) was getrouwd. Samen kregen zij drie kinderen: Gideon, Benjamin en Noëmi. Na zijn huwelijk trad Arnold pas in dienst van Hirsch, waar hij zich voornamelijk met de administratie bezighield. Later werd hij ook directeur bij het modehuis.

In december 1940 hield Arnold Kahn een duidelijk pro-Joodse en anti-Duitse toespraak voor het personeel van Hirsch, waarin hij hen een gelukkig nieuwjaar wenste. Hij sprak over de economische problemen, maar vooral de strijdbare en trotse houding ten aanzien van het Jodendom en het Nederlanderschap vielen op. Hij sprak over het hoog houden van de Joodse vlag op momenten dat het gevaarlijk is om een Jood te zijn en het willen behoren tot “dat oude, altijd weer opgejaagde, maar altijd zichzelf blijvende volk.” Hij benadrukte het Nederlanderschap van de Joodse directie, waarvan het hart, samen met het personeel “in één rhytme slaat en meer dan ooit tevoren opspringt, wanneer de klanken van het oude Wilhelmus gehoord worden.”

Arnold Kahn was zich ervan bewust dat zijn woorden gevaar met zich meebrachten. Hij zag zich genoodzaakt zijn toespraak woord voor woord uit te schrijven, zodat hij zou kunnen bewijzen wat hij wel en niet gezegd had. Het mocht niet baten. Onder de toehoorders waren NSB’ers en Arnold Kahn werd samen met René Kahn en Robert Berg, de andere directieleden van Hirsch, gearresteerd. Na drie weken werden René Kahn en Robert Berg vrijgelaten, maar Arnold Kahn werd naar Duitsland gestuurd. Daar stierf hij zoals gezegd op 29 mei 1941 volgens de officiële lezing als gevolg van dysenterie in concentratiekamp Buchenwald. De overige leden van het gezin van Arnold Kahn overleefden allen de oorlog.

Share